Thuis met de hond
U bent thuis met uw hond. Uw vriend Ravi vindt hem leuk. Kijk naar het plaatje. Vertel Ravi: wat draagt de hond? Vraag hem om te komen kijken.

Sentence starters
- Mijn hond draagt …
- Kom je …?
- Hoi Ravi, …
Does the text match? Correct it if needed.