Jarig op het werk
Vrijdag bent u jarig. U bent nu thuis. Kijk naar het plaatje. Schrijf uw collega's een bericht. Wat neemt u vrijdag mee? Vraag wat ze willen drinken.

Sentence starters
- Vrijdag neem ik … mee.
- Wat willen jullie …?
- Hoi allemaal, …
Does the text match? Correct it if needed.