Roos heeft medicijnen nodig
Roos heeft medicijnen nodig. Vertel waar Roos is. Noem twee dingen die de mensen doen. Vindt u het zelf makkelijk om medicijnen te halen? Vertel ook waarom. Gebruik het plaatje.

Sentence starters
- Roos is bij …
- Roos … en de medewerker …
- Medicijnen halen vind ik …, want …