Een pakket voor de buren
De bezorger heeft een pakket voor uw buren bij u gebracht. Vertel uw buren wat zij moeten weten.
- Say that you have their parcel.
- Say when they can collect it.
- Say your house number.
Sentence starters
- Ik heb jullie pakket …
- Jullie kunnen het ophalen …
- Ik woon op nummer …