Fatima in de kringloopwinkel
Fatima is in een kringloopwinkel. Vertel wat u ziet. Noem twee dingen die Fatima daar kan kopen. Vertel ook wat u van tweedehands spullen vindt. Gebruik het plaatje.

Sentence starters
- Fatima is in een winkel met …
- Ze kan daar een … en een … kopen.
- Tweedehands spullen vind ik …, want …