In de wachtkamer van de huisarts
Hasan zit in de wachtkamer van de huisarts. Vertel wat u ziet. Noem twee dingen die de mensen doen. Vertel ook wat u van deze wachtkamer vindt. Gebruik het plaatje.

Sentence starters
- Ik zie Hasan in …
- Een kind … en een vrouw …
- Deze wachtkamer vind ik …, want …