Roos heeft de verkeerde jas
Roos heeft na een feest de verkeerde jas meegenomen. Vertel wat Roos doet. Noem twee dingen die u op het plaatje ziet. Wat vindt u van deze situatie? Gebruik het plaatje.

Sentence starters
- Roos …
- Ik zie … en …
- Ik vind deze situatie …