Julio maakt een kantoor schoon
Julio werkt bij een schoonmaakbedrijf. Hij maakt een kantoor schoon. Vertel wat u ziet. Noem twee dingen die Julio bij zich heeft. Vertel ook wat u van dit werk vindt. Gebruik het plaatje.

Sentence starters
- Ik zie Julio in …
- Hij heeft een … en een … bij zich.
- Ik vind dit werk …, want …