Een afspraak verzetten
U hebt morgen een afspraak met uw buurvrouw. U kunt niet komen. Schrijf haar een kort bericht.
- Say that you cannot come.
- Give a reason.
- Suggest another day.
Sentence starters
- Morgen kan ik niet …
- De reden is dat …
- Kunnen we afspreken op …?
Does the text match? Correct it if needed.