In de supermarkt
U bent in de supermarkt. Uw broer Hugo wil zes appels. Kijk naar het plaatje. Hoeveel appels zijn er? Vertel het Hugo. Noem ook ander fruit in de winkel.

Sentence starters
- In de winkel zijn …
- Wil je …?
- Hoi Hugo, …
Does the text match? Correct it if needed.