Samen fietsen

A1 · Writing · Message

Task

Uw broer Hugo wil morgen samen fietsen. Kijk naar het plaatje. Vertel Hugo: wat is er met uw fiets? Noem een andere dag.

Uw fiets staat bij het huis. De fiets heeft een lekke band.
Sentence starters
  • Mijn fiets is …
  • Kunnen we … fietsen?
  • Sorry, …