Samen fietsen
Uw broer Hugo wil morgen samen fietsen. Kijk naar het plaatje. Vertel Hugo: wat is er met uw fiets? Noem een andere dag.

Beginzinnen
- Mijn fiets is …
- Kunnen we … fietsen?
- Sorry, …
Klopt de tekst? Pas aan waar nodig.
Uw broer Hugo wil morgen samen fietsen. Kijk naar het plaatje. Vertel Hugo: wat is er met uw fiets? Noem een andere dag.

Klopt de tekst? Pas aan waar nodig.