Amina op het schoolplein

A2 · Speaking · Describe a picture

Task

De school is uit. Amina is nog op het schoolplein. Vertel wat u ziet. Noem twee dingen die de kinderen doen. Vertel ook wat u van buiten spelen vindt. Gebruik het plaatje.

Kinderen spelen op een schoolplein: een meisje springt touwtje, twee kinderen spelen met een bal; bij het hek wacht een moeder met een fiets.
Sentence starters
  • Ik zie een schoolplein met …
  • Amina … en twee kinderen …
  • Buiten spelen vind ik …, want …