In de rij bij de kassa

A2 · Speaking · Describe a picture

Task

Karim staat in de rij bij de kassa van de supermarkt. Vertel wat u ziet. Noem twee dingen die Karim gaat kopen. Vertel ook wat u van wachten in de rij vindt. Gebruik het plaatje.

Een man staat met een mandje met brood, melk en bananen in de rij bij een kassa; een vrouw legt boodschappen op de band.
Sentence starters
  • Karim staat in de rij bij …
  • In zijn mandje zitten … en …
  • Wachten in de rij vind ik …, want …