In de rij bij de kassa
Karim staat in de rij bij de kassa van de supermarkt. Vertel wat u ziet. Noem twee dingen die Karim gaat kopen. Vertel ook wat u van wachten in de rij vindt. Gebruik het plaatje.

Beginzinnen
- Karim staat in de rij bij …
- In zijn mandje zitten … en …
- Wachten in de rij vind ik …, want …