Back to SpeakingPractice set 9 · task 1 of 3

Met de trein of met de auto

A2 · Speaking

Task

U gaat naar een verjaardag in een andere stad. Gaat u liever met de trein of met de auto? Vertel ook waarom. Kies een van de plaatjes.

Een vrouw zit in de trein met een cadeau op schoot.
1
Een vrouw rijdt in een auto met een cadeau naast zich.
2
Instruction

10 seconden voorbereiden · 40 seconden spreektijd

  • Say which picture you choose: the train or the car.
  • Give a reason.
  • Also say something about the other picture.
Sentence starters
  • Ik ga liever met de …
  • Dat is handig, want …
  • Met de … moet je …