← Back to SpeakingPractice set 9 · task 1 of 3

Met de trein of met de auto

A2 · Speaking · Choose a picture

Task

U gaat naar een verjaardag in een andere stad. Gaat u liever met de trein of met de auto? Vertel ook waarom. Kies een van de plaatjes. Zeg ook iets over het andere plaatje.

Een vrouw zit in de trein met een cadeau op schoot.
1
Een vrouw rijdt in een auto met een cadeau naast zich.
2
Sentence starters
  • Ik ga liever met de …
  • Dat is handig, want …
  • Met de … moet je …