Hasan op de markt
Hasan doet boodschappen op de markt. Vertel wat u ziet. Noem twee dingen die Hasan bij deze kraam kan kopen. Vertel ook wat u van de markt vindt. Gebruik het plaatje.

Beginzinnen
- Ik zie Hasan bij …
- Hij kan … en … kopen.
- De markt vind ik …, want …