Regen bij de bushalte
Sabrina gaat naar haar werk. Het regent. Vertel wat u ziet. Noem twee dingen die de mensen bij de halte doen. Vertel ook wat u van reizen met de bus vindt. Gebruik het plaatje.

Beginzinnen
- Ik zie een … in de regen.
- Sabrina … en een vrouw …
- Reizen met de bus vind ik …, want …