Druk in de keuken
Fatima is thuis met haar kinderen. Het is druk in de keuken. Vertel wat u ziet. Noem twee dingen die de mensen doen. Vertel ook wat u van samen koken vindt. Gebruik het plaatje.

Beginzinnen
- Ik zie Fatima en haar kinderen in …
- Fatima …, haar zoon … en haar dochter …
- Samen koken vind ik …, want …